Toezicht in de vastgoedbranche: een wassen neus?

De vastgoedcrisis die onverminderd hard blijft toeslaan in zowel het commercieel vastgoed als op de woningmarkt, werpt steeds weer de vraag op van de toegevoegde waarde van toezichthouders en andere controlerende instanties. Ik denk daarbij aan commissarissen en externe controleurs als accountants, maar ook aan de officiële toezichthouders als De Nederlandsche Bank en AFM en – wat meer op afstand – ook aan  de politiek.

Er waren tijden dat wij op de redactie van Vastgoedmarkt bij een afscheidsinterview van een min of meer bekende vastgoedpersonality (nagenoeg altijd een man!) aan het einde de vraag stelden: En wat gaat u nu doen? Gaat u achter de geraniums zitten of bent u al gevraagd als commissaris bij een vastgoed- of bouwonderneming, een belegger, een ontwikkelaar of een of ander privaat of institutioneel vastgoedfonds?  Steevast was het antwoord bevestigend, natuurlijk, en werden al vast de namen van een of meer commissariaten genoemd. En heel vaak konden er daar nog een paar aan worden toegevoegd na de publicatie van het interview. Een old boys netwerk bij uitstek, die vastgoedbranche.

Hetzelfde is de afgelopen vijftien jaar gebeurd bij de woningcorporaties, maar dan meestal op plaatselijk en regional niveau. De lijsten van commissariaten bij corporaties laten een uitgesproken voorkeur zien van al dan niet uitgerangeerde lokale politici en bekende plaatselijke en regionale zakenlieden en coryfeeën, veelal in ruste; een benoemingssysteem berustend op coöptatie, dus het elkaar goed betaalde commissariaten toespelen, die ook nog eens status verhogend effect hebben. Dit soort commissariaten zijn vaak niet meer dan een makkelijke aanvulling op een toch al heel aardig pensioen. Je moet als 60-plusser toch wat te doen hebben!

We weten inmiddels waartoe dat heeft geleid. Want zeker bij de woningcorporaties is er de afgelopen vijftien jaar nauwelijks sprake geweest van enig adequaat toezicht. Een paar diners, een ruime (onkosten)vergoeding en natuurlijk de  foto in het jaarverslag of bij de jaarrekening. En vrijwel altijd werd de benoeming na de eerste termijn hernieuwd. Smalend vertellen de directieleden vervolgens bij een borrel dat (een deel van) hun geachte commissarisssen meestal de stukken niet eens vooraf leze en vrijwel zelden vragen stellen. Dit geldt overigens niet alleen voor de corporatiewereld en de vastgoedbranche, ik maak me sterk dat dit soort falend toezicht ook schering en inslag is bij andere ondernemingen. Lees daar trouwens maar De Prooi op na, het fantastische en onthullende boek van Jeroen Smit over de val van ABN Amro.

Het lijkt een karrikatuur, zoals ik dit hier opschrijf, en natuurlijk zijn er ook goede, oprechte, belangstellende, integere en deskundige commissarissen aan het werk. Ik ken er zelfs een paar van. Maar de talrijke mistoestanden bij bijvoorbeeld corporaties, zoals die de afgelopen jaren naar buiten zijn gekomen, laten een onthutsend governance beeld zien van incompetentie, gebrek aan belangstelling en misplaatste arrogantie, ja zelfs van praktijken die tegen het illegale aanzitten.

Ik was al eerder vorige week van plan hierover te schrijven, naar aanleiding van een gesprek met iemand die eenzelfde ervaring bij een sollicitatie voor een commisssariaat had als ikzelf. Daarover later meer. Ik kon dus niet weten dat De Volkskrant het afgelopen weekeinde twee interviews zou publiceren die geheel in het verlengde liggen wat ik hierboven heb neergeschreven. Het eerste interview was met bijzonder hoogleraar Governance Rienk Goodijk, die net het boek ‘Falend toezicht in semipublieke organisaties’ heeft gepubliceerd. De kop boven het artikel zegt alles: ‘Te veel heren op leeftijd denken: dat toezicht doe ik er wel even bij.’ Een citaat: ‘Je kunt het semipublieke toezicht er niet even bij doen. De hoeveelheid werk en de complexiteit worden zwaar onderschat. Vijf nevenfuncties? Als je een baan hebt, zijn dat eral te veel. Als je goed toezicht wilt houden, is twee of drie bijbanen echt het maximum.’

In dezelfde Volkskrant staat ook een interview met Willem van Leeuwen, tot 2008 directeur van de koepelorganisatie van woningcorporaties Aedes. Samen met communicatiedeskundige Paul Simon heeft hij het boek ‘Toezicht en de maatschappelijke onderneming’ geschreven. Een treffend interview waaruit ik ook graag citeer: ‘In 1998 ben ik met governance-goeroe Jaap Glaz alle zaaltjes van Nederland langs geweest. (-) Overal hebben we de boodschap verteld: jongens, het moet echt anders, het moet anders en beter. (-) Heel veel zou inmiddels verbeterd moeten zijn. Vergeet het. Dat is niet gebeurd. Daarin, vind ik, is de hele sector van de maatschappelijke onderneming veel te traag geweest, veel te lethargisch.’

Afgelopen week sprak ik een voormalig directeur van de vastgoedafdeling van een grote institutionele verzekeraar. Geen 60-plusser, maar iemand die vanuit zijn professionele expertise een bijdrage wil leveren aan een beter toezicht bij een maatschappelijke onderneming, naast zijn andere bezigheden als vastgoedprofessional. Hij vertelde mij een herkenbaar verhaal: hoe hij gesolliciteerd had, hoe hij tijdens de sollicitatie behandeld was (als buitenstaander in dit gesloten coöptatie-circuit) en dat hij het dus ook niet is geworden. Zonder ook maar enige kans te hebben gekregen uit te leggen waarom hij meent een bijdrage te kunnen leveren aan een beter functionerende corporatie.

Ik heb zo’n zelfde ervaring ondergaan. Een paar maanden geleden stond er in de Volkskrant een advertentie, waarin door een head hunter kandidaten werden gezocht voor een commissariaat  bij een middelgrote woningcorporatie in het zuiden van het land. Er werd met name iemand gezocht voor het profiel Marketing en Communicatie. Na enige wikken en wegen besloot ik te solliciteren. Het ging hier om een profiel waar ik me heel redelijk deskundig bij voel, ik heb de expertise in de sector en beschik over de nodige tijd. Maar ik was vooral benieuwd naar het proces achter de sollicitatie. Hoe gaat zo’n head hunter/consultant te werk, op welke criteria selecteert hij, en hoe verloopt het vervolgtraject? Dus schreef ik een brief met een uitgebreide cv en verwees ook naar mijn website. Na twee weken kreeg ik een korte mail, dat ik jammer genoeg niet was geselecteerd. Dat liet ik niet zomaar aan me voorbij gaan en ik stuurde een mailtje terug.

Met enige verbazing heb ik uw mailtje ontvangen. Ik was er van uit gegaan, dat ik toch zeker zou worden uitgenodigd voor een gesprek. Juist gezien het profiel en mijn ervaring beschouw ik mijn persoon als een uitgelezen kandidaat voor een woningcorporatie als …  om nu eindelijk eens een commissaris te krijgen die zich onderscheidt en er niet alleen voor de eigen ego en de verplichte diners in tweesterrenrestaurants zit. Met name ook tegen het licht van de integriteits- en communicatieaffaires die de woningcorporaties al enige jaren teisteren. Ik hoef niet zo nodig  commissaris bij een woningcorporatie te worden, nee ik vind het een noodzaak dat mensen met een expertise als waarvoor ik beschik, zich inzetten voor een belangrijke publieke zaak als de Nederlandse sociale woningbouw.

Ik zou het zeer op prijs stellen als u me kunt duidelijk maken waarom ik niet in het profiel zou passen. (-) Of moet ik uit uw mail concluderen dat het old boys netwerk, dat de Nederlandse corporatiesector al zolang heeft bepaald en mede heeft geleid tot schandalige affaires rond onder meer Servatius, Vestia en Rochdale, het nog altijd voor het zeggen hebben?’

Mijn vrouw, zelf communicatiedeskundige, vond dat ik wat te kort door de bocht was gegaan en voorspelde dat ik niets meer zou horen. Maar een paar dagen later belde de consultant zelf om het een en ander toe te lichten, een aangenaam gesprek overigens dat ongeveer een uur duurde. In feite was dit het gesprek dat ik had moeten hebben, voordat de beslissing was gevallen om me al dan niet als kandidaat te seceteren. Met zijn argumenten had ik niets. De consultant beweerde vijf goede kandidaten te hebben, die beter aan het profiel beantwoorden.

De afgelopen week besloot ik toch nog eens de website van de betreffende corporatie te bezoeken. Over de vacature was helemaal niets terug te vinden. Wel kon ik onder het kopje Toezicht uitmaken dat bij twee van de vijf commissarissen de eerste termijn op 1 juli aanstaande afloopt en dat bij een de eerste termijn al een jaar geleden was beëindigd. Uit niets blijkt, dat zij hebben afgezien van een nieuwe termijn of dat de mede-commissarissen hadden besloten dat zij niet meer kunnen terugkeren. Of de hele procedure alleen maar een wassen neus was, weet ik niet, maar het lijkt er wel op. In ieder geval is dit een weinig transparent proces dat meer vragen oproept dan antwoorden.

Laat ik vooropstellen, dat ik geen enkele reden heb om te veronderstellen dat er bij deze corporatie iets mis is. Maar ik weet vrijwel zeker dat het met de governance, marketing en communicatie – ondanks alle fraaie documenten op de website – wel het nodige aan de hand is en zeker vragen opwerpt. Van Leeuwen zegt het in de Volkskrant basaal, maar daardoor ook heel helder: Het moet anders. En wie niet weet hoe, kan inspiratie putten uit het lijstje ’Hoe moet het wel?’ Dat lijstje staat afgedrukt naast het interview met hoogleraar Goodijk. Vooral het laatste punt spreekt me aan: ‘Durf naar voren te komen als het onverhoopt toch mis gaat.’

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: